DressuurTotaal

Passie voor paarden, benaderd vanuit de dressuur.
 
 

Rijkunst

3-11-2007

 Stelling 

  • Het achter de kaak zijdelings inbuigen van het hoofd
  • Is een teken (en makkelijker bereikbaar maken) van het loslaten in het lichaam
  • Is onderdeel van oefeningen zoals wijken voor de kuit en schouderbinnenwaarts

Stelling is plaatselijk: in de voorhand van het paard, en alleen in de verbinding hoofd/hals. De bovenste drie halswervels (van de zeven halswervels die het paard heeft) zijn bij de stelling betrokken. Voor de rechtop zittende ruiter worden het binnenoog en het binnenneusgat net zichtbaar. Stelling komt tot stand wanneer de ruiter met het binnenbeen richting buitenteugel drijft en met de binnenhand lichte stelling vraagt, waardoor het paard zal nageven op de binnenteugel.
Als een paard zowel de linker als de rechter stelling in gelijke mate wil aannemen, dan zal het paard zich beter loslaten in zijn lichaam. Daardoor is het paard ontvankelijker voor de ruiterhulpen en zal hij de hulpen beter omzetten in wat de ruiter van hem vraagt.

STELLING + BUIGING = LENGTEBUIGING
Sunshine v. Flemmingh met stelling en buiging.
Inzet volte
Sunshine v. Flemmingh, in een volte

Lengtebuiging

  • Ontstaat vanuit de achterhand
  • Is een teken van controle op draagkracht achterhand
  • Moet evenredig zijn met de gevraagde zijdelingse halsbuiging, de stelling

Met lengtebuiging wordt bedoeld dat het paard in zijn wervelkolom (lengteas) zijdelings inbuigt. Fysiek is deze buiging enigszins beperkt doordat de rug minder buigzaam is dan de hals.

Lengtebuiging ontstaat wanneer het binnenachterbeen verder onder het paard wordt gebracht. Het begint vanuit de achterhand en wordt doorgegeven naar voren, en hangt dus samen met impuls. De achterhand moet gemotiveerd worden tot meer draagkracht.

Een leuke formule om te onthouden: stelling + buiging = lengtebuiging.

2-11-2007

Galopchangement

Wanneer voor het eerst de vliegende galopwisseling oefenen:

  • Als de galop goed bevestigd is
  • Als het paard recht galoppeert
  • Als het verzamelen en verruimen in de galop gemakkelijk gaat
  • Als het paard op de achterhand galoppeert
  • Als ook de contragalop gemakkelijk gaat

Hulpen bij de voorbereiding:

  • De schouders van het paard iets naar de buitenkant brengen
  • Lichte stelling naar de nieuwe kant vragen (omstellen), hand ontspannen
  • Paard hol maken voor het nieuwe binnenbeen
  • Een halve ophouding (altijd met je bovenlichaam) ter attentie
  • Het paard goed aan de buitenteugel houden

Hulpen bij de wissel:

  • De op de singel liggende binnenkuit (de voorbereidingskuit) naar achteren brengen en aandrukken,
  • de terugliggende buitenkuit (de wisselkuit) naar voren brengen, en
  • het paard motiveren voorwaarts te springen;
  • je gewicht naar de buitenkant brengen, en
  • je bovenlichaam zo stil mogelijk houden.

In eerste instantie moet elke ruiter uitvinden op welke plek in de rijbaan het voor het paard het gemakkelijkst is om een galopwisseling te maken. Dit doe je proefondervindelijk, maar belangrijk is dat je een plaats en moment kiest dat het paard sowieso van richting moet veranderen. Voorbeeld: als je over de korte diagonaal van hand verandert, krijg je voordat je op de hoefslag komt een duidelijke hoek waarin het paard van richting moet veranderen. Dat is een goed moment om een galopwisseling aan te leren. Let wel: voordat je de hoek maakt. Want wij willen dat het paard een rechte wissel springt. Daarnaast ligt het gevaar van naspringen op de loer als je een wissel aanleert in een hoek of wending. Het is raadzaam om in het begin de wissel steeds op dezelfde plaats te vragen - totdat de wissel op die plaats is bevestigd.

Het is prima om in het begin maar één wissel te rijden en daarmee tevreden te zijn. De ruiter die de tijd neemt, wordt beloond.

1-11-2007
  • Nauw verbonden met aanleuning
  • Door actieve achterbenen wordt gewicht aan voorkant minder
  • Paard ontspant nek- en kaakgewricht
  • Bewegingen komen van achteren naar voren door lichaam paard

Aanleuning en nageeflijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: de ruiter streeft naar aanleuning, het paard antwoordt met nageeflijkheid.

Een correct in balans zittende ruiter is de eerste voorwaarde voor nageeflijkheid. De ruiter drijft tegen een stille, veerkrachtige hand. Daardoor treden de achterbenen verder onder het lichaam en nemen meer gewicht over van de voorhand. De bewegingen worden vanuit een actieve achterhand over de rug doorgegeven naar voren. Een opwaartse welving van de rug is het gevolg. Doordat de achterhand meer gaat dragen wordt de druk op de teugels voelbaar minder. Daarbij ontspant het paard zijn nek- en kaakgewricht. De ruiter geeft zelf ook op tijd na.

Lascar v. Henri in de piaffe

Lascar v. Henri in de piaffe
20-10-2007

Een goede houding en zit moet aan meerdere voorwaarden voldoen. De twee belangrijkste zijn:

1. Het hoofd van de ruiter moet zich loodrecht boven het zwaartepunt van de ruiter bevinden en het zwaartepunt moet zich loodrecht boven de voeten bevinden. Waarbij het zwaartepunt van (het lichaam van) de ruiter zich zo’n drie centimeter onder en achter zijn navel bevindt. Een goede houding betekent dus dat je als het ware een verticale rechte lijn kunt trekken vanaf de oren door de heupen naar de hakken van de ruiter.

Houding en zit

Een verticale lijn hoofd-heup-hak tijdens de galop met Sunshine v. Flemmingh v.m. Udonis.

2. Een goede houding en zit vereist spierspanning want het is een actieve manier van rijden. Vaak wordt de nadruk gelegd op ontspannen zitten, maar dat betekent helaas dat mensen vaak uitgezakt en daardoor (zeker in de draf en galop) onrustig in het zadel zitten. Met als gevolg dat ze ‘achter de bewegingen’ van het paard komen - de bewegingen van het paard niet volgen. Daardoor verstoor je de balans van het paard, doordat hij niet op zijn natuurlijke manier kan bewegen.

Terzijde: de spierkracht die nodig is voor deze - juiste - houding wordt ook wel vormspanning genoemd, een term uit de turnwereld. Het is het bewust handhaven van een bepaalde houding met een minimum aan spierkracht en energie. Waarbij duidelijk zal zijn dat het rijden van een uitgestrekte draf aanzienlijk meer spierkracht eist dan een verzamelde stap.

3-09-2007

Links gebogenAls je van voor of achter naar een combinatie kijkt en de voeten van de ruiter bevinden zich niet op gelijke hoogte in de stijgbeugels, is een veelgehoorde opmerking: “je beugels zijn ongelijk. Je moet even de riemen aanpassen.” Vaak denkt men dat als een ruiter scheef zit, dat komt door het feit dat de stijgbeugels ongelijk zijn. En dat de ruiter vanzelf recht gaat zitten als de lengte van een van de beugelriemen wordt veranderd.

Meestal echter is de werkelijke oorzaak dat het paard links- of rechtsgebogen is. Doordat het paard naar één kant gebogen is, zakken zijn heup en ribbenkast aan de andere kant. Dus degene die erop zit, komt automatisch scheef te zitten. Er is dan niets mis met de lengte van een van de beugelriemen. Maar wel met de buiging van het paard. De enige remedie is: het paard rechtrichten.

Je kunt dus geen conclusies trekken door alleen te kijken naar de hoogte van de stijgbeugels. Je moet vooral letten op hoe het zadel ligt ten opzichte van de wervelkolom van het paard. Het zadel dient recht op de wervelkolom te liggen.

Zie de foto. De beugelriemen zijn exact even lang, toch zit de amazone scheef. Je ziet dat de rechtervoet van de amazone zich veel lager naast het paard bevindt dan de linkervoet. Oftewel: ze zit te veel naar rechts. Het paard op de foto is linksgebogen.